Scroll To Top
  • Praxis für Health Care Novum2
 
 
Proces-en beslagrecht advocaten Rotterdam

Wij geven een duidelijk advies, waarbij ook proceskansen worden besproken.

EUR 50.000
billijke vergoeding

EUR 50.000 billijke vergoeding: rechter houdt rekening met inkomens- en pensioenschade

Het Hof Den Haag heeft zich recent uitgelaten over de wijze van berekening van de billijke vergoeding in combinatie met de door de werknemer geleden inkomens- en pensioenschade. Daarbij liet het hof de uitspraak van de kantonrechter in stand.

Feiten

De werkneemster (63 jaar) werkt al meer dan 22 jaar voor de werkgever. Op enig moment is zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt, waardoor haar arbeidsomvang van 30 uur per week is teruggebracht naar 16 uur per week. Naast haar salaris ontving de werkneemster een WIA-uitkering.

De werkneemster stelt dat de werkgever zich, vanaf het moment dat zij minder uren is gaan werken, onbehoorlijk en onaanvaardbaar jegens haar is gaan gedragen. Het gedrag van de werkgever zou bestaan uit onacceptabel taalgebruik, vloeken, schelden, tieren, uitlatingen als “ik treiter jou er wel uit” en het voor haar voeten gooien van dossiers. Hierdoor heeft de werkneemster zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft partijen meerdere malen geadviseerd een mediationtraject te starten, maar de werkgever heeft die adviezen niet opgevolgd.

De werkgever stelt dat hij Grieks bloed met het bijbehorende “zuidelijke karakter” heeft, waardoor hij zijn emoties sneller uit dan een ander. Dit zou echter nooit op de werkneemster gericht zijn. De werkgever stoorde zich wel aan het slordige werken van de werkneemster. Bovengenoemde uitlating en het gooien van dossiers herkent de werkgever niet. De mediation zou niet zijn gefrustreerd door de werkgever, want hij zou in overleg met de werkneemster voor een andere oplossing hebben gekozen.

De werkneemster heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding en om toekenning van de transitievergoeding (EUR 16.184,- bruto) en een billijke vergoeding.

Oordeel kantonrechter Rotterdam

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie.

Transitievergoeding
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de transitievergoeding (van EUR 16.187,73 bruto) verschuldigd is, omdat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op verzoek van de werkneemster is ontbonden.

Billijke vergoeding
Naast de transitievergoeding kan een billijke vergoeding worden toegekend indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter refereert hierbij aan twee voorbeelden uit de wetsgeschiedenis: het door de werkgever grovelijk veronachtzamen van verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, met als gevolg een verstoorde arbeidsverhouding, en de situatie waarin  de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak van beide gevallen sprake is. 

Ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat deze volgens de wetsgeschiedenis naar haar aard in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever en dat de hoogte dient aan te sluiten bij de bijzondere omstandigheden van het geval. De kantonrechter betrekt de volgende omstandigheden in haar afweging: leeftijd, duur dienstverband, nooit kritiek op functioneren vastgelegd, wijze van beledigen, positie op de arbeidsmarkt, kans op het vinden van een nieuwe baan en de financiële gevolgen. De kantonrechter is van oordeel dat het feit dat de werkgever de werkneemster na zo’n lang dienstverband belet om de laatste jaren voor haar pensioengerechtigde leeftijd door te werken (met alle gevolgen van dien) zo ernstig verwijtbaar is dat een forse vergoeding op zijn plaats is. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding wordt derhalve ook gekeken naar de pensioeninkomsten die de werkneemster misloopt. De kantonrechter heeft hierbij aansluiting gezocht bij de overgelegde berekening van het te verwachten verlies aan inkomen en pensioen en ook wordt rekening gehouden met de transitievergoeding.

Op grond van het voorgaande heeft de kantonrechter een bedrag van EUR 50.000,- bruto als billijke vergoeding toegekend (die dus bovenop de transitievergoeding van EUR 16.187,73 verschuldigd werd aan werkneemster).  

Oordeel Hof Den Haag

De werkgever heeft hoger beroep ingesteld en het hof verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en de door de werkneemster verzochte ontbinding toe te wijzen, zonder toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding. De wet bepaalt dat hoger beroep tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding uitsluitend betrekking kan hebben op de vergoeding(en) en niet op de ontbinding zelf.
Verstoorde arbeidsrelatie wegens laakbaar gedrag
Het hof trekt eerst de conclusie dat het gedrag van de werkgever in verregaande mate onbetamelijk is geweest. Voorts is het hof van oordeel dat het op de weg van de werkgever lag om een structurele oplossing te zoeken voor de problemen (verziekte werksituatie en werksfeer) die de werkneemster aan de orde had gesteld, hetgeen de werkgever heeft nagelaten.

Ernstig veronachtzamen re-integratieverplichtingen
Het hof is van oordeel dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen heeft veronachtzaamd doordat hij heeft nagelaten na de ziekmelding van de werkneemster op een adequate wijze te trachten het geschil op te lossen, ondanks diverse verzoeken. Het lag op de weg van de werkgever om de adviezen van de bedrijfsarts op te volgen.
Het hof komt tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever. Dat betekent dat de werkneemster recht heeft op een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Hoogte billijke vergoeding
De werkgever stelt dat bij het vaststellen  van de billijke vergoeding uitsluitend rekening kan worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid aan werkgeverszijde en niet met de gevolgen van de beëindiging voor de werkneemster.

Het hof oordeelt dat de hoogte van de billijke vergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever een belangrijke rol. De financiële gevolgen van de beëindiging voor een werknemer worden in beginsel gedekt door de transitievergoeding en zullen om die reden dan ook (in de regel) buiten beschouwing worden gelaten. Het hof overweegt vervolgens dat het denkbaar is dat de transitievergoeding (als enige compensatie voor de financiële gevolgen) onder omstandigheden tekortschiet.

Door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst lijdt de werkneemster in dit geval forse inkomens- en pensioenschade. Het hof is van oordeel dat deze gevolgen in de gegeven situatie niet volledig geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding. Het hof is van oordeel dat onderhavig geval illustreert dat toekenning van alleen de transitievergoeding als compensatie tot een onaanvaardbare uitkomst kan leiden en daarom dient bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening te worden gehouden met de aan de gedragingen van de werkgever toe te rekenen inkomens- en pensioenschade, voor zover deze het bedrag van de transitievergoeding evident overschrijdt. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat de billijke vergoeding een volledige vergoeding dient te zijn voor de inkomens- en/of pensioenschade.

Op basis van berekeningen bedraagt de financiële schade van de werkneemster als gevolg van de ontbinding ruim EUR 89.000,- bruto. Na aftrek van de transitievergoeding resteert er nog een financiële schade van tenminste EUR 73.000,- bruto.

Op basis van de volgende omstandigheden: duur van het dienstverband, geen (disfunctioneren)dossier, geen verbetertraject en (uiteraard) het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht aan de werkneemster een billijke vergoeding van EUR 50.000,- bruto heeft toegekend. 

Conclusie

Over de wijze waarop de hoogte van de billijke vergoeding wordt vastgesteld, bestaat nog de nodige onduidelijkheid. Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen. De mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever speelt een belangrijke rol.

De transitievergoeding is bedoeld om de financiële gevolgen van de beëindiging voor een werknemer te dekken. Die gevolgen dienen om die reden dan ook buiten beschouwing te worden gelaten bij de vaststelling van de billijke vergoeding. Echter, in deze procedure heeft het hof overwogen dat het denkbaar is dat de transitievergoeding in bijzondere gevallen tekortschiet en dat het enkel toekennen van de transitievergoeding tot een onaanvaardbaar resultaat kan leiden. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat in die gevallen (ook) rekening kan worden gehouden met de aan de gedragingen van de werkgever toe te rekenen inkomens- en pensioenschade, voor zover deze het bedrag van de transitievergoeding evident overschrijdt. Dat betekent dat werknemers toch een deel van hun inkomens- en pensioenschade vergoed kunnen krijgen.

Indien meerdere rechters de financiële gevolgen in acht gaan nemen bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding, zal dat wellicht tot gevolg hebben dat hogere billijke vergoedingen toegekend gaan worden dan tot nu toe (in de gepubliceerde rechtspraak) het geval is geweest.

 

TERUG